Bij welk lichaamsgewicht leven mensen het gezondst en het langst?
Is er werkelijk één ideaal gewicht waarbij mensen langer leven? En klopt het dat Amerikaanse verzekeraars dit al tientallen jaren geleden onderzochten? Het korte antwoord is: ja, zulke onderzoeken hebben bestaan. Maar het gezonde gewicht is geen eenvoudig percentage van uw lichaamslengte. Leeftijd, buikomtrek, spiermassa, conditie en bestaande aandoeningen spelen eveneens een belangrijke rol.
In dit artikel leest u waar onze ideeën over het ideale lichaamsgewicht vandaan komen, wat moderne onderzoeken laten zien en hoe u voor uzelf een verstandige gewichtszone kunt berekenen.
Amerikaanse verzekeraars zochten naar het gewicht met de laagste sterfte
Al in de eerste helft van de twintigste eeuw verzamelden Amerikaanse levensverzekeraars gegevens over de gezondheid en levensduur van hun klanten. Zij wilden weten welke kenmerken samenhingen met vroegtijdig overlijden. Daarbij keken ze onder andere naar:
- lichaamslengte en gewicht;
- leeftijd en geslacht;
- lichaamsbouw;
- bloeddruk;
- ziekte en sterfte.
Het commerciële belang was duidelijk. Iemand die lang leefde, betaalde langer premie en vormde voor een levensverzekeraar doorgaans een kleiner risico dan iemand die kort na het afsluiten van een verzekering overleed.
Een beroemd voorbeeld is de Amerikaanse Build and Blood Pressure Study uit 1959. Voor deze studie werden de verzekeringsgegevens van ongeveer 4,9 miljoen mensen uit 26 verzekeringsmaatschappijen samengebracht. De Metropolitan Life Insurance Company publiceerde daarnaast tabellen met een zogenoemd ideal weight en later een desirable weight: gewichten die binnen hun bestanden samenhingen met de laagste sterfte.
Deze tabellen hebben jarenlang invloed gehad op de manier waarop artsen en het publiek over een gezond gewicht dachten. Het waren echter geen perfecte medische onderzoeken. De deelnemers waren voornamelijk mensen die gezond genoeg waren om een levensverzekering te krijgen. Bovendien werden belangrijke factoren zoals roken, voeding, beweging, spiermassa en sociaaleconomische omstandigheden niet altijd voldoende meegenomen.
De oude tabellen zijn daarom historisch interessant, maar niet geschikt om voor ieder individu één exact ideaal gewicht vast te stellen.
Is een gezond gewicht een percentage van uw lengte?
Een gezond gewicht wordt niet berekend als een gewoon percentage van de lichaamslengte. Kilogrammen en centimeters zijn verschillende eenheden en kunnen niet rechtstreeks als percentage met elkaar worden vergeleken.
Vroeger gebruikte men soms de eenvoudige Broca-formule:
Streefgewicht in kilogrammen = lengte in centimeters min 100.
Iemand van 170 centimeter zou volgens deze formule 70 kilogram wegen. Bij een lengte van 192 centimeter kwam men uit op 92 kilogram. Soms werd daar, afhankelijk van geslacht of lichaamsbouw, nog ongeveer 10% van afgetrokken.
Deze formule is gemakkelijk te onthouden, maar wetenschappelijk erg grof. Vooral bij zeer lange, kleine of gespierde mensen kan de uitkomst misleidend zijn.
Tegenwoordig gebruiken we meestal de BMI
De bekendste moderne maat is de Body Mass Index, afgekort BMI. U berekent deze als volgt:
BMI = gewicht in kilogrammen ÷ lengte in meters².
Iemand van 1,70 meter en 70 kilogram heeft bijvoorbeeld een BMI van:
70 ÷ (1,70 × 1,70) = 24,2.
Voor de meeste volwassenen wordt de volgende algemene indeling gebruikt:
| BMI | Algemene indeling |
|---|---|
| Lager dan 18,5 | Ondergewicht |
| 18,5 tot en met 24,9 | Gezond gewicht |
| 25 tot en met 29,9 | Overgewicht |
| 30 tot en met 34,9 | Obesitas klasse I |
| 35 tot en met 39,9 | Obesitas klasse II |
| 40 en hoger | Ernstige obesitas |
BMI is bruikbaar om grote groepen mensen te vergelijken, maar zegt niet alles over één persoon. De berekening maakt bijvoorbeeld geen onderscheid tussen vet en spieren. Een gespierde sporter kan een hoge BMI hebben zonder veel lichaamsvet. Andersom kan iemand met een normale BMI weinig spiermassa en relatief veel buikvet hebben.
Bij welke BMI leven volwassenen gemiddeld het langst?
Grote bevolkingsonderzoeken laten meestal een J-vormig of U-vormig verband zien. Zowel een heel laag als een heel hoog gewicht gaat gemiddeld samen met een grotere kans op vroegtijdig overlijden.
In een grote analyse van ongeveer 900.000 volwassenen werd de laagste sterfte gevonden rond een BMI van 22,5 tot 25. Een andere omvangrijke analyse vond bij gezonde mensen die nooit hadden gerookt het laagste sterfterisico rond BMI 22 tot 24.
Voor jongere en middelbare volwassenen lijkt een BMI van ongeveer 22 tot 25 statistisch gezien dus vaak de gunstigste zone. Dit betekent niet dat iedereen met BMI 21 ongezond is of dat iemand met BMI 26 onmiddellijk gevaar loopt. Het gaat om gemiddelde verschillen binnen zeer grote groepen, niet om een voorspelling van de levensduur van één persoon.
Bij 65-plussers mag het gewicht vaak iets hoger zijn
Voor ouderen ligt het genuanceerder. Verschillende onderzoeken onder mensen vanaf 65 jaar vonden de laagste sterfte bij een BMI die wat hoger lag, vaak ergens tussen 25 en 28.
Daar zijn verschillende mogelijke verklaringen voor:
- een kleine lichamelijke reserve kan tijdens ziekte bescherming bieden;
- ouderen verliezen gemakkelijker spiermassa;
- ondergewicht kan wijzen op kwetsbaarheid of ondervoeding;
- een nog niet ontdekte ziekte kan onbedoeld gewichtsverlies veroorzaken;
- BMI maakt geen verschil tussen spierweefsel en vetweefsel.
Dit verschijnsel wordt soms de obesitasparadox genoemd. Die benaming kan verwarrend zijn. Het betekent niet dat ernstig overgewicht gezond wordt zodra iemand 65 is. Vooral veel buikvet, diabetes, hoge bloeddruk, gewrichtsklachten en een slechte conditie blijven belangrijke gezondheidsrisico’s.
Voor ouderen is het daarom meestal onverstandig om zonder begeleiding naar een heel laag gewicht te streven. Rustig vet verliezen terwijl spiermassa en kracht behouden blijven, is doorgaans belangrijker dan zo licht mogelijk worden.
Buikomtrek vertelt vaak meer dan de weegschaal
Niet alleen hoeveel vet iemand heeft, maar vooral waar dat vet is opgeslagen, is belangrijk. Vet rond de buik en organen hangt sterker samen met diabetes type 2, hart- en vaatziekten en leververvetting dan vet rond heupen of benen.
Een bruikbare aanvullende maat is de middel-lengteverhouding:
Middel-lengteverhouding = middelomtrek ÷ lichaamslengte.
Een veelgebruikte praktische regel luidt:
Probeer uw middelomtrek kleiner te houden dan de helft van uw lichaamslengte.
Bij een lengte van 170 centimeter betekent dit bij voorkeur een middelomtrek onder ongeveer 85 centimeter. Bij 180 centimeter is dat ongeveer 90 centimeter en bij 192 centimeter ongeveer 96 centimeter.
Dit is een globale screeningsregel en geen diagnose. Toch kan deze verhouding het risico op stofwisselingsziekten soms beter zichtbaar maken dan BMI alleen.
Uw middel goed meten
Meet uw middel bij voorkeur steeds op dezelfde manier:
- Ga rechtop staan met de voeten iets uit elkaar.
- Plaats het meetlint halverwege de onderste rib en de bovenkant van het heupbot.
- Trek het lint niet strak in de huid.
- Adem normaal uit en lees daarna de omtrek af.
- Meet bij voorkeur ’s morgens en steeds onder vergelijkbare omstandigheden.
Rekenvoorbeelden: gezond gewicht per lengte
Onderstaande tabel laat zien welke gewichten horen bij een BMI van 22, 25 en 28. BMI 22–25 is bij veel volwassenen een gunstige zone; BMI 25–28 kan bij sommige ouderen passend zijn.
| Lengte | Gewicht bij BMI 22 | Gewicht bij BMI 25 | Gewicht bij BMI 28 |
|---|---|---|---|
| 1,60 m | 56,3 kg | 64,0 kg | 71,7 kg |
| 1,65 m | 59,9 kg | 68,1 kg | 76,2 kg |
| 1,70 m | 63,6 kg | 72,3 kg | 80,9 kg |
| 1,75 m | 67,4 kg | 76,6 kg | 85,8 kg |
| 1,80 m | 71,3 kg | 81,0 kg | 90,7 kg |
| 1,85 m | 75,3 kg | 85,6 kg | 95,8 kg |
| 1,90 m | 79,4 kg | 90,3 kg | 101,1 kg |
| 1,92 m | 81,1 kg | 92,2 kg | 103,2 kg |
De tabel is geen afvalopdracht. Leeftijd, lichaamsbouw, gezondheid en spiermassa bepalen mede welk gewicht voor u realistisch en verantwoord is.
U hoeft niet eerst uw ideale gewicht te bereiken
Veel mensen raken ontmoedigd wanneer een tabel aangeeft dat zij tientallen kilo’s zouden moeten afvallen. Gelukkig ontstaat gezondheidswinst meestal al ruim voordat een theoretisch ideaalgewicht is bereikt.
Een eerste gewichtsverlies van ongeveer 5 tot 10% kan, afhankelijk van de persoonlijke situatie, al gunstig zijn voor:
- bloeddruk;
- bloedsuiker en insulinegevoeligheid;
- vetopslag in de lever;
- belasting van knieën, heupen en enkels;
- slaap en bewegingsgemak;
- conditie en dagelijks functioneren.
Iemand van 100 kilogram hoeft dus niet eerst 70 kilogram te wegen om vooruitgang te boeken. Een eerste doel van 95 kilogram en daarna eventueel 90 kilogram is vaak overzichtelijker en beter vol te houden.
Gezond oud worden draait niet alleen om gewicht
Het getal op de weegschaal is maar één onderdeel van gezondheid. Mensen met hetzelfde gewicht kunnen een totaal verschillend gezondheidsprofiel hebben. Kijk daarom ook naar:
- middelomtrek en hoeveelheid buikvet;
- bloeddruk;
- bloedsuiker en HbA1c;
- cholesterol en triglyceriden;
- spierkracht en spiermassa;
- dagelijkse beweging;
- slaapkwaliteit;
- rookgedrag en alcoholgebruik;
- kwaliteit van de voeding;
- het tempo waarin het gewicht verandert.
Vooral na het zestigste levensjaar zijn krachttraining, voldoende eiwitten en dagelijkse beweging belangrijk. Wie uitsluitend minder eet en niet beweegt, kan naast vet ook spieren verliezen. Daardoor daalt het gewicht wel, maar hoeft de gezondheid niet evenredig te verbeteren.
Wat is nu het beste gewicht voor een lang en gezond leven?
Er bestaat geen exact aantal kilogrammen dat iedereen een lang leven garandeert. Op basis van grote onderzoeken kunnen we wel enkele globale conclusies trekken:
- bij jongere en middelbare volwassenen wordt de laagste sterfte vaak gezien rond BMI 22–25;
- bij 65-plussers ligt de gunstigste zone in sommige onderzoeken rond BMI 25–28;
- langdurig ondergewicht kan vooral bij ouderen een serieus gezondheidsrisico zijn;
- vanaf BMI 30 nemen verschillende gezondheidsrisico’s gemiddeld duidelijk toe;
- buikvet, conditie, spiermassa en stofwisseling zijn minstens zo belangrijk als BMI;
- 5–10% gewichtsverlies kan al betekenisvolle gezondheidswinst opleveren.
Het verstandigste streefgewicht is daarom niet automatisch het laagste gewicht dat volgens een tabel nog “normaal” heet. Het is een gewicht waarbij u weinig overtollig buikvet heeft, voldoende spieren behoudt, gemakkelijk kunt bewegen en gezonde bloedwaarden heeft — én dat u zonder extreem dieet kunt volhouden.
Veelgestelde vragen
Welk BMI hoort bij de langste levensverwachting?
Bij gezonde volwassenen die niet roken ligt de laagste sterfte in grote onderzoeken meestal rond BMI 22–25. Bij mensen boven de 65 wordt in verschillende studies een wat hogere zone gevonden, ongeveer BMI 25–28. Dit zijn gemiddelden en geen individuele garanties.
Is 10% boven mijn ideale gewicht ongezond?
Dat is niet zonder meer te zeggen. De oude methode waarbij gewicht als percentage van een ideaalgewicht werd uitgedrukt, is te grof. BMI, middelomtrek, spiermassa, leeftijd en bloedwaarden geven samen een beter beeld.
Is een BMI van 27 gezond voor een oudere?
Een BMI van 27 kan bij een gezonde oudere heel goed passen, vooral wanneer de middelomtrek, bloeddruk, bloedsuiker, conditie en spierkracht gunstig zijn. Bij veel buikvet of stofwisselingsproblemen kan afvallen toch gezondheidswinst geven.
Is buikomtrek belangrijker dan BMI?
Beide maten vullen elkaar aan. BMI geeft een globale verhouding tussen gewicht en lengte. De middelomtrek vertelt meer over buikvet, dat sterk samenhangt met diabetes en hart- en vaatziekten.
Hoeveel moet ik afvallen voor gezondheidswinst?
Een eerste afname van 5% van het lichaamsgewicht kan al waardevol zijn. Bij 100 kilogram is dat 5 kilogram. Daarna kunt u beoordelen of een volgend doel wenselijk en haalbaar is.
Conclusie
De zoektocht naar het ideale lichaamsgewicht begon niet alleen in ziekenhuizen en universiteiten. Amerikaanse levensverzekeraars onderzochten miljoenen mensen om te ontdekken bij welke verhouding tussen lengte, gewicht en bloeddruk de sterfte het laagst was. Die oude onderzoeken vormden de basis voor bekende lengte-gewichttabellen, maar hadden belangrijke beperkingen.
Modern onderzoek wijst niet naar één magisch gewicht. Voor de meeste volwassenen lijkt BMI 22–25 gemiddeld gunstig, terwijl bij ouderen een iets hogere BMI passend kan zijn. Kijk daarom niet uitsluitend naar de weegschaal. Een gezonde middelomtrek, voldoende spierkracht, goede bloedwaarden, dagelijkse beweging en een vol te houden voedingspatroon zeggen samen veel meer over gezond ouder worden.
Wilt u afvallen? Begin dan niet met het najagen van een perfect getal. Kies een eerste haalbaar doel van 5%, meet ook uw middelomtrek en werk stap voor stap aan gewoonten die u blijvend kunt volhouden.
Medische toelichting: dit artikel bevat algemene informatie en vervangt geen persoonlijk advies van een arts of diëtist. Overleg met uw huisarts bij onbedoeld gewichtsverlies, ernstig overgewicht, diabetes, hart- en vaatziekten, nierproblemen, medicijngebruik of wanneer u ouder bent en veel wilt afvallen.
Bronnen
- Society of Actuaries, historische Build and Blood Pressure Study: https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC6494109/
- Overzicht Metropolitan Life-lengte-gewichttabellen: https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/6707396/
- Prospective Studies Collaboration, BMI en sterfte bij circa 900.000 volwassenen: https://doi.org/10.1016/S0140-6736(09)60318-4
- Aune et al., BMI en sterfte: https://www.bmj.com/content/353/bmj.i2156
- Winter et al., BMI en sterfte bij 65-plussers: https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/24452240/
- Systematische review middel-lengteverhouding: https://www.ncbi.nlm.nih.gov/books/NBK78973/